Niet te warm, niet te koud, grijs weer maar geen regen. Een typische aprilse lentedag. Met mijn goede muts op trok ik welgezind naar “mijnen hof” om er de dames van een groep Zilveren Passers te laten kennismaken met de interessante geschiedenis en de mooie monumenten.
Al mijn geliefde, vertrouwde doden waren present : Destanberg, Mahu, Wild, Scribe…..
Zoals altijd tijdens een rondleiding, controleerde ik al tetterend en kwetterend of er niemand aan het brossen was. Bij het graf van Gaby Devienne stond mijn hart stil, weg was Gaby. Er werd een eerste keer hartgrondig gevloekt en dit in aanwezigheid van zoveel dames, die sofort de oren zedig bedekten. Ook Lieven de Winne stond niet meer op zijn vertrouwde stek. De dames kregen opnieuw te horen hoe rijk en uitgebreid mijn verwensingvocabularium wel niet is.
Rudy, och arme de goeie ziel, werd opgetrommeld. De bustes van Charles Verbessem, Jan Spilthoorn, meneer en mevrouw Auguste Vandamme, allemaal riebedebie, allemaal weg geknabbeld door ongedierte dat blijkbaar de kunstschatten van de Wester ontdekt heeft. Bronzen portretmedaillons zijn gaan vliegen.
Eenmaal thuis begon het knip- en plakwerk want al mijn detailfoto’s had ik in een duister verleden uitgeleend aan een Pipo die een artikeltje wou plegen over Gentse beeldhouwers actief tijdens het Interbellum. Het fameus artikeltje vertoeft nog altijd tussen de koolbladeren en mijn foto’s “och ja ergens mislegd” (Leen nooit iets uit aan Pipo’s).
Fantastisch resultaat van deze turbulente dagen : ik ben al een ietsjiepietsie minder kwaad maar slaap nog altijd slecht. Gedurende het woelen, trap ik ongedierte plat, sla ze met een vliegenmepper tot moes, vergas ze met een arsenaal aan giftige spuitbussen.
An Hernalsteen
Dit artikel verscheen in Nieuwsbrief 48, mei 2009