* Käthe Kollwitz-Schmidt * 1867-1945 * Berlijn, Duitsland *
Käthe Kollwitz. We kenden haar van Vladslo. Van de Neue Wache in Berlijn en haar musea in diezelfde stad en Keulen. Vanwege haar droevige beelden had ik altijd de indruk dat ik haar graf al gezien had. Niet dus. Daar moeten we de eerstvolgende keer dat we in Berlijn zijn wat aan doen. En zo gebeurde.
Het Zentralfriedhof Friedrichsfelde ligt in oost-oost-oost-Berlijn. Waarmee ik wil zeggen : weg van de krioelende menigte, verder dan het Ostbahnhof. Ik ben geneigd eraan toe te voegen : de woningblokken worden alsmaar grauwer naarmate de S-Bahn of stadsspoorbaan je verder brengt. Eerlijkheidshalve dien ik te vermelden dat die grauwe monotonie per jaar vermindert. Bruin-beige woonkazernes krijgen een fris kleurtje en de geraniums voor de ramen zorgen voor de bekende vrolijkheid. Vanaf het station Friedrichsfelde-Ost is het een wandeling langs volkstuintjes die ongemerkt overgaan in die andere oase van rust : het Zentralfriedhof Friedrichsfelde. We dachten hier alleen Käthe Kollwitz te vinden, maar de begraafplaats bleek meer te bieden. Wat direct opvalt is de intimiteit. Dit is geen parkbegraafplaats met monumentale graven. Dit is een bos van 32 ha. met grafstenen die ongeveer tot de knie reiken. Naast bomen en struiken groeien er éénjarige plantjes, overlevers (klinkt ongewoon in deze context), wilde bloemen en onkruid. Eerst naar Käthe Kollwitz. In een aparte allee vindt men de kunstenaarsgraven, alle gemerkt met “Ehrengrab Land Berlin”. De andere kunstenaars waren ons totaal onbekend. In het familiegraf Kollwitz-Schmidt liggen begraven broer Konrad, diens vrouw Anna, Georg Stern (niet ontdekt wie dat is) en het echtpaar Karl en Käthe Kollwitz. Het bronsreliëf “Ruht im Frieden seiner Hände” werd door Käthe Kollwitz ontworpen rond 1935.
Käthe Schmidt werd in Königsberg in het toenmalige Pruisen (de huidige Russische enclave Kaliningrad aan de Baltische Zee) geboren in een nest met sterke sociale en morele overtuigingen. Getalenteerd als ze was mocht ze op haar zestiende naar Berlijn, naar de tekenacademie. Een jaartje later leerde ze de sociaal geëngageerde student geneeskunde Karl Kollwitz (°1863) kennen. Karl en Käthe trouwden in 1891 en gingen in een werkmansomgeving wonen. Hij was een vertegenwoordiger van “geneeskunde voor het volk” en Käthe kwam als doktersvrouw in contact met de problemen en zorgen van de gewone mens. Hun miserie, haar verteld door de vrouwen, werd haar inspiratiebron. Käthe Kollwitz verdedigde de sociale democratie en de vrouwenrechten, zonder zelf aan politiek te doen. Het echtpaar kreeg twee zonen : Hans (1892) en Peter (1896). Vanaf 1897 kreeg Käthes oeuvre publieke belangstelling. Haar werken, gebaseerd op diep medevoelen met de sociale noden van de werkende klasse en haar protest tegen hun arbeidsomstandigheden, werden enerzijds op lof onthaald maar waren tegelijkertijd een bron van afkeer bij hen die blind waren voor de sociale problemen en dachten de kunstlakens uit te delen. Uit Käthes beginperiode kennen we alleen grafisch werk. In een later stadium (ca. 1904) gooide zij zich op de beeldhouwkunst. Verdriet werd een uitgesproken aspect van haar werk. Een eerste leed trof haar in oktober 1914. De oorlog was pas begonnen, toen haar achttienjarige zoon Peter aan de Ijzer sneuvelde. Moeder Käthe sloeg na dit pijnlijke verlies definitief de weg van het pacifisme in.
In 1919 was Käthe Kollwitz als eerste vrouw verkozen tot lid van de Pruisische Kunstacademie maar daar maakten de Nazis in 1933 een einde aan. Zij werd tot ontslag gedwongen en kreeg een tentoonstellingsverbod. In die periode werden de granieten beelden “De Treurende Ouders” op de Duitse oorlogsbegraafplaats van Roggevelde bij Diksmuide, waar Peter begraven lag, geïnstalleerd. Later, in 1956 verhuisden verschillende graven, inclusief dat van Peter naar Vladslo. In 1940 overleed Karl Kollwitz en in 1942 sneuvelde kleinzoon Peter in Rusland (°1923; een zoon van Hans). In 1943 verliet Käthe Kollwitz Berlijn, een goede beslissing want later dat jaar werd haar huis vernield in een bombardement. Ze heeft het einde van die Tweede Wereldoorlog net niet meegemaakt. Op 22 april 1945 overleed ze. Enkele maanden later werd haar asurne overgebracht naar het familiegraf in Berlijn-Friedrichsfelde. De grootste postume eer kreeg de kunstenares toen haar beeld “Moeder met Dode zoon” in de Neue Wache opgesteld werd : sinds 1931 is dit gebouw een oorlogsmemoriaal en in 1993, na de eenmaking van Duitsland, kreeg haar Piëta (van 1937-39) hier een welverdiende plek.
We verlaten het vredige graven-weggetje en onze expressioniste en wandelen verder over de begraafplaats. Die dateert van 1881 maar won belang rond 1900, toen de medeoprichter van de Duitse sociaal-democratische arbeiderspartij Wilhelm Liebknecht (1826-1900) hier begraven werd. Toen Karl Liebknecht (1871-1919; zoon van Wilhelm), Rosa Luxemburg (1871-1919) en andere voorvechters van de linkse beweging vermoord werden, kregen zij een graf op Friedrichsfelde. De toen nog jonge en onbekende Ludwig Mies van der Rohe (1886-1969) kreeg in 1926 de opdracht een Revolutionsdenkmal te ontwerpen. De Nazi’s, die de aanhangers van de KPD haatten, maakten de tombe (12L x 4B x 6H) met de grond gelijk (1935) en vervolledigden hun ravage in 1941. Sindsdien zijn de stoffelijke resten van Liebknecht, Luxemburg en de anderen verdwenen. In 1983 werd op de originele plek een nieuw gedenkteken voor de slachtoffers van de communistenvervolging opgericht. Een even grote basis maar een kleinere opbouw met een bronzen plaat waarop een afbeelding van het origineel.
Terug vooraan bij de ingang vindt men het in 1951 opgerichte “Gedenkstätte der Sozialisten”. Rond het centrale monument zijn gedenkzerken voor oa Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg -op beide graven enkele steentjes, ze waren inderdaad joods- en het echte graf van Walter Ulbricht (1893-1973).
Voorwaar een belangrijke begraafplaats voor iedereen die geïnteresseerd is in de linkse beweging, de arbeidersbeweging, de sociale geschiedenis, of de geschiedenis (van Duitsland) in het algemeen.
Tante Kato
Dit artikel verscheen in Nieuwsbrief 50, juli 2009